cover Vergeten Tragedies, Ruud Kersten

Bij de onthulling van het monument ter nagedachtenis aan de omgekomen kinderen, werd ook het door Ruud Kerstens geschreven boek ‘Vergeten Tragedies’ gepresenteerd.

Dit boek is verkrijgbaar via de bestelpagina


  1. Een monument, met een verhaal, nu het nog kan
riegelmine

Een Riegelmine 43, vergelijkbaar met de fatale mijn bij de Spik (foto: Antoon Meijers)

Het was een mooie herfstdag, die zondag de 7e oktober 1945. Er werd gevoetbald op de binnenplaats van Van Cann. 12 jongens van de Spik tussen de 7 en 14 jaar oud hadden de grootste lol. Maar ze waren niet alleen bij elkaar gekomen om tegen een bal te trappen. Doel was de grote mijn, die ze een paar honderd meter verderop wisten te liggen. Zo’n dikke ijzeren balk van een meter lang. Een antitankmijn, daar moest een heleboel springstof in zitten en die wilden ze er eindelijk wel eens uithalen. Dus vertrokken ze met z’n allen richting Maalbroek. En hoe het nou gegaan is, we weten het niet precies. Maar lang heeft het niet geduurd. Iemand sloeg met de grote mijn tegen een weipaal en toen was er die enorme knal. De mensen van Maasniel en van Asenray, op weg naar het lof van drie uur in de kerken van die dorpen, keken elkaar met vragende blik aan. Wat was dat? Duidelijk werd het pas een half uur later, toen Corrie Stox vanaf de Spik op haar fiets in Maasniel alarm kwam slaan. Toen was er al niets meer te redden: negen jongens dood, twee gewond. Het lof werd afgeblazen, de priesters waren elders dringender nodig. Op de Spik, bij de families van de slachtoffers van de grootste ramp met achtergebleven oorlogstuig van heel Nederland.

  1. De dood van twee kinderen op Maalbroek
jongensmaalbroek

De bidprentjes van de bij Maalbroek omgekomen jongens (Foto links: mevr. Pouwels-Lamers, foto rechts: mevr. Haas-Diels)

Een explosie op 14 augustus 1945 maakte op Maalbroek een einde aan het jonge leven van Jan Diels (11) en Jan Lamers (13). Broer Harrie Diels (toen 9) en zus Mia Lamers (toen 6) vertellen over die dag waarop hun broertjes door een granaat werden gedood. Deze gebeurtenis toont aan hoe moeilijk de ouders van Spik en Maalbroek het sinds hun terugkomst uit Friesland gehad moeten hebben om temidden van de mijnenvelden en schuren vol munitie hun kinderen bij het oorlogstuig vandaan te houden. Allebei vertellen ze waar ze waren toen het gebeurde en hoe groot de impact was. En allebei zijn ze blij dat er eindelijk eens aandacht voor is.

  1. Piet Stox: ‘ik wist dat het fout zou gaan’
Jantje Stox (Foto: Familie Stox)

Jantje Stox (foto: Familie Stox)

Dit is het langste hoofdstuk van “Vergeten tragedies”. Niet toevallig, want hier is Piet Stox aan het woord en die heeft heel veel te vertellen. In oktober 1945 was hij elf. “Ik heb ze nog gewaarschuwd, dat ze er vanaf moesten blijven, want ik voorvoelde dat het fout zou gaan, maar ze gingen toch,” zo luidt een van zijn uitspraken. En dan houdt hij niet meer op met vertellen. Hoe hij eigenhandig antitankmijnen uit de weg geruimd heeft, hoe hij aan geweren en kogels kwam, hoe ze met het hele gezin van vader, moeder en tien kinderen stiekem achter bleven terwijl de rest van De Spik in Friesland geëvacueerd was, hoe ze zich tijdens razzia’s met z’n allen schuilhielden in Halfers Böske en meer van die verhalen, die niet zouden misstaan in een avonturenroman. Piet verloor zijn oudste broer Jan, zijn broer Jac overleefde de explosie, maar raakte zwaar gewond.

  1. De A73 splijt de Spik in tweeën
A73

De A73, waarvoor enkele boerderijen aan de Spikkerweg moesten wijken (foto: Jan Straus)

Wie 70 jaar later wil weten hoe de Spik er in 1945 uitzag, die heeft een probleem. Want de landelijke uitstraling die het gebied nog tientallen jaren kenmerkte, is rond de eeuwwisseling bruusk doorbroken door een dikke vette streep asfalt waar geen boerenkarren meer rijden, maar waar honderden auto’s per dag overheen razen. De A73 doorklieft tussen de Swalmer tunnel en de Roertunnel meedogenloos de Spik. Een korte wandeling van west naar oost leidt de lezer langs de plekken die centraal staan in het verhaal van de verschrikkelijke gebeurtenissen van een half jaar na de oorlog.

  1. Het leven was meedogenloos voor het gezin Coenen
Moeder-Coenen-met-Lei-en-Gerda

Moeder Coenen met Lei en Gerda (foto: familie Coenen)

Het leed was groot in veel Spikse gezinnen. Maar in het gezin Coenen leek er geen einde te komen aan de rampspoed. Toen moeder Coenen vier jaar na de oorlog bij het binnenhalen van de oogst van een volgeladen kar viel en daardoor stierf, waren al 7 van haar 10 kinderen haar voorgegaan. Vier kinderen waren in de beginjaren van de oorlog gestorven en de drie jongens Piet (14), Sjra (12) en Har (10) behoorden op 7 oktober 1945 tot de negen doden als gevolg van de explosie van de antitankmijn.

De enige die nog uit eigen ervaring kan vertellen over hoe het gezin Coenen toen reilde en zeilde is neef Cor Telders (toen 11). Hij was kind aan huis bij zijn oom en tante Coenen en maakte zo vaak hij maar kon per autoped de tocht van zijn ouderlijk huis in de Neerstraat in Roermond naar de Spik. Want daar was altijd van alles te beleven, zeker toen ze allemaal terug waren uit Friesland en de Spik vergeven was van het oorlogstuig. En die fatale antitankmijn was hem ook niet vreemd: “ik heb ze zelf gezien. We hebben er zelfs een keer een vuurtje onder aangestoken, om te zien wat er dan gebeurde, maar er gebeurde niets. Toen niet.”

  1. De Spik van 1944 door de ogen van een meisje
kinderen-frencken228

Truus Frencken (tweede van rechts) en haar broertjes en zusjes (foto: familie Frencken)

Het monument op de Spik herinnert aan de 11 jongens die een half jaar na de oorlog om het leven kwamen. Jongens tussen de 7 en 14 waren het, die in navolging van hun oudere broers en vaders speelden met alle oorlogstuig dat er binnen handbereik was. Maar die jongens hadden toch zeker ook wel zusjes? Hoe die hun jeugd op de Spik beleefden, dat vertelt Truus Frencken, geboren in 1937 en jaren na de oorlog geëmigreerd naar Australië. Toen ze hoorde van de oprichting van het monument voor de elf kinderen waaronder twee van haar buurjongens van de familie Sanders, heeft ze haar herinneringen aan de oorlogsjaren aan haar Ipad toevertrouwd, waarmee ze op 78-jarige leeftijd de lezer een kijkje gunt in het leven van de Spikbewoners van toen.

  1. De evacuatie: bewoners eruit, mijnen erin
evacuatiefoto-cover

Op soortgelijke wijze verlieten veel evacuees de Spik in 1944 (foto: Eddy van der Noord)

Aan de hand van de herinneringen van Truus Frencken krijgen we een beeld van hoe het er eind januari 1945 op Spik en Maalbroek aan toe ging, toen Roermond echt frontstad geworden was en de bevolking na een ijskoude voettocht in Brüggen op de trein werd gezet om geëvacueerd te worden in het noorden van Nederland. Op de dag dat zij geëvacueerd werd, zag ze hoe de Duitsers zo ongeveer voor hun huisdeur begonnen met de aanleg van de mijnenvelden, die na de terugkomst van de bewoners voor zoveel leed zouden zorgen.

  1. Krijgsgevangenen aan het werk als mijnenruimers
Randerath

Bernard Randerath (foto: Chrit Houtackers)

Kerstavond 24 december 1945, bijna 10 maanden na de bevrijding van Roermond. 400 Duitse militairen, die in Nederland gevangen gehouden waren om mijnenvelden te ruimen, hebben net een kerstviering achter de rug in de Munsterkerk. Buiten wacht een flinke groep Roermondse jongeren met stenen en knuppels tot de “Pruusse” naar buiten zullen komen. Dan zwaait de deur open en rennen twee aan twee naast elkaar in een lange rij de soldaten de kerk uit. Terwijl ze bekogeld worden met stenen en sommigen nog een tik meekrijgen van een Roermondse knuppel, schieten ze de hoek om richting Lindanusstraat. Daar, in de Rijks HBS staan hun bedden. Al een paar maanden lang zijn ze bezig met het opruimen van de vele mijnenvelden in en om Roermond. Een van hen is Bernard Randerath. 17 pas en 30 kilometer verwijderd van zijn ouderlijk huis in Mönchengladbach. Hij vertelt hoe hij en de andere Duitse militairen na de capitulatie gedwongen werden om met gevaar voor eigen leven de vele duizenden mijnen te verwijderen, die de Duitsers in de Nederlandse bodem hadden achtergelaten. Ook in Roermond. Maar toen was het leed door onopgeruimd oorlogstuig op Maalbroek en Spik al geschied…

Uit het dagboek van pastoor Gerards

gerards1

Pastoor Gerards tijdens een preek (foto: archief Frits van Horne)

Bij zijn speurtocht naar gegevens over Spik en Maalbroek uit 1944 en 1945 ontdekte professor Beckers in het Roermondse gemeentearchief een dagboek van de toenmalige pastoor Gerards van Asenray. Het was meteen duidelijk dat dit schrift niet zomaar weer teruggeplaatst moest worden in de boekenkast. En dus werd besloten om van het boek “Vergeten tragedies” een duoboek te maken, met van achter naar voren een nieuwe cover en vervolgens op ruim 30 bladzijden een-op-een overgetikt de dagboekaantekeningen van de pastoor. Zo lezen we hoe de pastoor in september 1944 in een bos de lichamen van de gefusilleerde pachter Jozef Smeets van de Beatrixhoeve en van zijn knecht Paul Peeters aantreft. Geholpen door drie inwoners van Maalbroek, brengt hij de lijken naar Asenray. Daar worden de twee op 29 september 1944 begraven. “Na die mijner ouders is deze begrafenis de zwaarste geweest, die ik meegemaakt heb. God bewaar mij in de toekomst voor zulke zware diensten,” schrijft een aangedane pastoor in zijn dagboek. Naarmate het einde van de oorlog nadert en de gevechtshandelingen toenemen, neemt ook in Asenray de ellende toe. Op zondag 7 januari is de nood zo hoog, dat pastoor Gerards zich tijdens de mis “in naam der parochianen” met een aantal opmerkelijke geloften tot god richt:

“Om Uw barmhartigheid af te smeken, beloven wij parochianen van Asenray en verbinden wij ons:

1e De eerstvolgende 10 jaren door middel van onze kath. Vereenigingen alles in ‘t werk te stellen, om onze menschen van de Carnavalsviering te doen afzien.

2e Wij beloven spoedig na afloop van den oorlog een bedevaart naar een van Maria’s heiligdommen te doen.

3e Wij beloven zoo spoedig als mogelijk is, in onze parochie een bidkapelletje ter eere van O.L. Vrouw te bouwen, ter plaatse door het kerkbestuur aan te wijzen.”

Navraag leert, dat er in elk geval van de geloften 1 en 3 na afloop van de oorlog niets terechtgekomen is.